Prelude 2
“Het is alsof het mes van de beul ook zijn hart heeft doorboord. Hij kan moeder inmiddels niet meer zien door de rook. Des te meer hoort hij het onophoudelijke geknetter dat boven het gejuich van het publiek uitkomt. Tot achter in zijn keel woedt de stank van de rook die zich vermengt met de smaak van haat en woede. Het vuur, dat zijn moeder nu helemaal heeft opgevreten, brandt alles weg wat er was aan hoop en vrees. Ervoor in de plaats komt een ontembare woede.
Er klinkt een erbarmelijke kreet naast hem. Verschrikt kijkt hij in het van pijn vertrokken gezicht van Cathalijne. Ze schreeuwt iets naar hem, maar hij verstaat haar niet door het banale gejuich van het domme volk, dat deze barbaarse executie als vermaak beleeft. Hij buigt zich dicht naar haar toe en kijkt in haar wanhopige ogen. “
Zo begint de novelle Vuur, waarin we het gezin Van Beethoven volgen, na de wrede executie van Josyne.